Search
Search Menu

Column

Verlangen

Dé feestmaand is weer aangebroken. Ik mijmerde wat over hoe deze maand de mensen bezighoudt. En als vanzelf kwam het woord ‘verlangen’ naar boven. Ik zocht en vond in mijn boekenkast ‘De weg van het verlangen’ van Herman Andriessen, over de kracht van het verlangen en over de vele wegen en dwaalwegen die er zijn. Het boekje viel open bij een tekst:

Hoe zouden wij U nog vinden,
wij die alles gevonden hebben;
hoe U nog om raad vragen
die op alles raad weten;
hoe U nog zegenen
die zelf onze zegeningen uitvinden?
Verloren zijt Gij onder ons en radeloos;
zonder zegen gaat Gij uw eenzame weg. (…)

Het verlangen heeft het moeilijk in onze dagen. Wij willen alles hebben en wel NU. We dulden geen uitstel. We gedragen ons op vele terreinen van ons leven als een consument die vraagt, nee die eist en die ook alle recht heeft om dit te doen. En als er tegenslagen komen, rennen we naar dokter of psychiater en die moet ons dan zo snel mogelijk afhelpen van de nare gevoelens waar we mee rondlopen.

Maar is er nog ruimte voor zoiets als ‘verlangen’, voor het onvervulde en voor wat ons open houdt voor dat wat groter is en niet te koop? Verlangen dat pas tot ons kan spreken, als een taal zonder woorden, wanneer we het aandurven om juist stil te staan bij de nare gevoelens en bij gedachten die ons kunnen bespringen? Verlangen dat we de ruimte geven als we tijd nemen voor onszelf, voor het zelfgesprek en voor een gids die ons daarbij helpt?

Samen met anderen lees ik op dit moment teksten van Simone Weil. God en mens, zo schrijft ze, zijn oneindig van elkaar gescheiden. Wij kunnen niet naar God opklimmen. Het is God die in zijn eindeloze liefde naar ons toekomt, om ons aan te raken. En ze vervolgt: Wij hebben de macht hem toe te laten of de toegang te weigeren. Als wij doof blijven voor zijn komst, dan komt hij, net als een bedelaar, keer op keer terug, maar op een dag komt hij niet meer. God legt een heel klein zaadje in ons en gaat dan heen. Vanaf dat tijdstip hebben noch wij noch God iets anders te doen dan te wachten. Wij moeten alleen maar onze toestemming, ons jawoord, blijven beamen. ‘Dat geloof ik niet, dat hij niet meer komt’, reageerde iemand. Waarop een ander zei: ‘ja maar, er is een zaadje in ons gelegd’. Maar wat een beeld, God als bedelaar …!

Waar wachten we op? Een klop op onze deur? Een aanraking? En herkennen we die dan in ons leven? Kennen we de ‘aanraking’ van die eindeloze liefde?
Herman Andriessen eindigt zijn mijmering – of is het een gebed – over het verlangen als volgt:

Niettemin zoek ik U
die ons al vond
en op alles raad weet
en die mij zegent.
Neem uw Geest niet weg van mij,
Geest die U zoekt en tot u bidt.

Ds. Arie Molendijk